Lees meer...

Gratis E-maildiensten!

Ontvang GRATIS dagelijks reflecties en meer via e-mail!

Dagelijkse Overdenking
Wat Jezus Deed
Dagelijks Christelijke Quote
Dagelijks Bijbelvers

 

Wat Jezus Deed

Maandag 10 december 2018

 

Johannes 20:1-2

         
  • Statenvertaling
  • GNV
  • NBG 1951
  • NBV
  • Het Boek

"En op den eersten [dag] der week ging Maria Magdalena vroeg, als het nog duister was, naar het graf; en zag den steen van het graf weggenomen. Zij liep dan, en kwam tot Simon Petrus en tot den anderen discipel, welken Jezus liefhad, en zeide tot hen: Zij hebben den Heere weggenomen uit het graf, en wij weten niet, waar zij Hem gelegd hebben."

"Op de eerste dag van de week ging Maria van Magdala vroeg in de morgen het was nog donker naar het graf en ze zag dat de steen voor de ingang was weggehaald. Vlug liep ze naar Simon Petrus en naar de andere leerling, van wie Jezus bijzonder veel hield. 'Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald,' zei ze tegen hen, 'en we weten niet waar ze hem hebben neergelegd.'"

"Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria uit Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen van de opening van het graf was weggehaald. Ze liep snel terug naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: 'Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem nu neergelegd hebben.'"

"Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria uit Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen van de opening van het graf was weggehaald. Ze liep snel terug naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: 'Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem nu neergelegd hebben.'"

"Op zondagmorgen, de morgen na de sabbat, ging Maria van Magdala al heel vroeg naar het graf. Toen zij daar aankwam, zag zij dat de steen voor de ingang was weggerold. Zo vlug ze kon, holde zij naar Simon Petrus en Johannes. "De Here is uit het graf gehaald!" hijgde ze. "Wij weten niet waar ze Hem hebben neergelegd."

 

Overdenking van vandaag:

Ken je het soort zondag waarop je er geen zin in hebt om het "kerkding" te doen of de uitdaging aan te gaan om iedereen gereed en dezelfde kant op gericht te krijgen? De meesten van ons kennen dat! Sterker, sommige van mijn moeilijkste ochtenden waren op zondag.  

Dat was hetzelfde voor Jezus' eerste en trouwste leerlingen. Zij kwamen om iets heel moeilijks en liefdevols voor hun Heer te doen; zijn lichaam balsemen met kruiden. Het is niet in woorden te beschrijven hoe moeilijk dat voor hen geweest moet zijn -- hun geesten gebroken en hun dromen uiteen gespat door de dood van Jezus.  

Maar zoals bij velen van ons op onze slechte zondagmorgens, zou God hun moeilijke ochtend veranderen in iets kostbaars en vreugdevols. Zeker, deze zondag begon met gruwelijkheid en hopeloosheid, maar wij weten hoe hij eindigde!  

Dus, wanneer je weer een slechte zondagmorgen hebt, denk dan aan Maria, Petrus en de leerling waar Jezus van hield en hun slechte zondag die veranderde in een dag die geen gelovige ooit zal vergeten!

 

Gebed:

Vader, ik dank u voor de moeilijke tijden. Ik beken dat ik er niet van houd, maar als ik terugkijk kan ik zien hoe u die moeilijke tijden hebt gebruikt tot zegen, hoop en overwinning op mijn hartzeer, bedroefdheid en verslagenheid. Dank u dat u niet alleen Jezus uit de doden hebt opgewekt, maar dat u ook mijn hart hebt opgetild naar een plaats van hoop en vreugde die niet door aards verdriet en pijn kan worden aangetast. In de naam van Jezus, en door zijn overwinning bid ik met blijdschap. Amen.

 

Contekst: Johannes 20:1-18

         
  • Statenvertaling
  • GNV
  • NBG 1951
  • NBV
  • Het Boek

"En op den eersten [dag] der week ging Maria Magdalena vroeg, als het nog duister was, naar het graf; en zag den steen van het graf weggenomen. Zij liep dan, en kwam tot Simon Petrus en tot den anderen discipel, welken Jezus liefhad, en zeide tot hen: Zij hebben den Heere weggenomen uit het graf, en wij weten niet, waar zij Hem gelegd hebben. Petrus dan ging uit, en de andere discipel, en zij kwamen tot het graf. En deze twee liepen tegelijk; en de andere discipel liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam eerst tot het graf. En als hij nederbukte, zag hij de doeken liggen; nochtans ging hij [er] niet in. Simon Petrus dan kwam en volgde hem, en ging in het graf, en zag de doeken liggen. En den zweetdoek, die op Zijn hoofd geweest was, [zag] [hij] niet bij de doeken liggen, maar in het bijzonder in een [andere] plaats samengerold. Toen ging dan ook de andere discipel [er] in, die eerst tot het graf gekomen was, en zag het, en geloofde. Want zij wisten nog de Schrift niet, dat Hij van de doden moest opstaan. De discipelen dan gingen wederom naar huis. En Maria stond buiten bij het graf, wenende. Als zij dan weende, bukte zij in het graf; En zag twee engelen in witte [klederen] zitten, een aan het hoofd, en een aan de voeten, waar het lichaam van Jezus gelegen had. En die zeiden tot haar: Vrouw! wat weent gij? Zij zeide tot hen: Omdat zij mijn Heere weggenomen hebben, en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben. En als zij dit gezegd had, keerde zij zich achterwaarts, en zag Jezus staan, en zij wist niet, dat het Jezus was. Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat weent gij? Wien zoekt gij? Zij, menende, dat het de hovenier was, zeide tot Hem: Heere, zo gij Hem [weg] gedragen hebt, zeg mij, waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen. Jezus zeide tot haar: Maria! Zij, zich omkerende, zeide tot Hem: Rabbouni, hetwelk is gezegd, Meester. Jezus zeide tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vare op tot Mijn Vader en uw Vader, en [tot] Mijn God en uw God. Maria Magdalena ging en boodschapte den discipelen, dat zij den Heere gezien had, en [dat] Hij haar dit gezegd had."

"Op de eerste dag van de week ging Maria van Magdala vroeg in de morgen het was nog donker naar het graf en ze zag dat de steen voor de ingang was weggehaald. Vlug liep ze naar Simon Petrus en naar de andere leerling, van wie Jezus bijzonder veel hield. 'Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald,' zei ze tegen hen, 'en we weten niet waar ze hem hebben neergelegd.' Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf. Allebei liepen ze hard, maar de andere leerling was sneller dan Petrus. Hij kwam het eerst bij de grafkamer, en toen hij zich voorover boog, zag hij de linnen doeken liggen. Hij ging echter niet naar binnen. Simon Petrus kwam achter hem aan en ging het graf wel binnen. Hij zag de linnen doeken liggen en ook de doek die over Jezus' hoofd had gelegen. Die lag niet bij de andere, maar apart opgerold. Toen ging ook de andere leerling naar binnen, die het eerst bij het graf was aangekomen; hij zag en geloofde. Want zij hadden de Schrift nog niet begrepen, die zegt dat hij uit de dood moest opstaan. Toen gingen de leerlingen naar huis terug. Maria was buiten bij het graf blijven staan en huilde. Huilend boog ze zich voorover naar het graf en ze zag twee engelen in het wit gekleed; ze zaten op de plaats waar het lichaam van Jezus had gelegen, de ene aan het hoofdeinde, de andere aan het voeteneinde. 'Waarom huilt u?' vroegen ze haar. 'Ze hebben mijn Heer weggehaald,' antwoordde ze, 'en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd.' Toen ze dat gezegd had, keerde ze zich om en zag Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. 'Waarom huilt u?' vroeg Jezus haar. 'Wie zoekt u?' Zij dacht dat het de tuinman was en zei: 'Meneer, als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan haal ik hem daar weg.' 'Maria!' zei Jezus tegen haar. Zijdraaide zich om en zei in het Aramees: 'Rabboeni!' Dat betekent: 'Meester!' 'Houd me niet vast,' zei Jezus. 'Ik ben nog niet naar de Vader opgestegen. Ga naar mijn broeders, en vertel hun: Ik stijg op naar mijn Vader die ook jullie Vader is, naar mijn God die ook jullie God is.' Maria van Magdala ging de leerlingen vertellen dat ze de Heer had gezien en wat hij tegen haar gezegd had."

"En op de eerste dag der week ging Maria van Magdala vroeg, terwijl het nog donker was, naar het graf en zij zag de steen van het graf weggenomen. IJlings kwam zij dan bij Simon Petrus en bij de andere discipel, dien Jezus liefhad, en zeide tot hen: Zij hebben de Here weggenomen uit het graf en wij weten niet, waar zij Hem hebben neergelegd. Petrus dan ging op weg en ook de andere discipel en zij begaven zich naar het graf; en die twee liepen samen snel voort; en de andere discipel liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam het eerst aan het graf, en zich vooroverbuigende, zag hij de linnen windsels liggen; hij ging echter niet naar binnen. Simon Petrus dan kwam ook, hem volgende, en hij ging het graf binnen en zag de windsels liggen, maar de zweetdoek, die op zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de windsels liggen, doch opgerold, terzijde op een andere plaats. Toen ging ook de andere discipel, die het eerst aan het graf gekomen was, naar binnen, en hij zag het en geloofde; want zij kenden de Schrift nog niet, dat Hij uit de doden moest opstaan. De discipelen dan gingen weder naar huis. En Maria stond buiten dicht bij het graf, wenende. Terwijl zij dan weende, boog zij zich voorover naar het graf, en zij zag twee engelen zitten, in witte klederen, een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde, waar het lichaam van Jezus gelegen had. En zij zeiden tot haar: Vrouw, waarom weent gij? Zij zeide tot hen: Om dat zij mijn Here weggenomen hebben en ik weet niet, waar zij Hem neergelegd hebben. Na deze woorden keerde zij zich om en zag Jezus staan, maar zij wist niet, dat het Jezus was. Jezus zeide tot haar: Vrouw, waarom weent gij? Wie zoekt gij? Zij meende, dat het de hovenier was, en zeide tot Hem: Heer, als gij Hem weggedragen hebt, zeg mij dan, waar gij Hem hebt neergelegd en ik zal Hem wegnemen. Jezus zeide tot haar: Maria! Zij keerde zich om en zeide tot Hem in het Hebreeuws: Rabboeni, dat wil zeggen: Meester! Jezus zeide tot haar: Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren naar de Vader; maar ga naar mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God. Maria van Magdala ging heen en boodschapte de discipelen, dat zij de Here had gezien en dat Hij haar dit gezegd had."

"Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria uit Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen van de opening van het graf was weggehaald. Ze liep snel terug naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: 'Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem nu neergelegd hebben.' Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf. Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook hij zag de linnen doeken, en hij zag dat de doek die Jezus' gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een andere plek. Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het en geloofde. Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat hij uit de dood moest opstaan. De leerlingen gingen terug naar huis. Maria stond nog bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf, en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen. 'Waarom huil je?' vroegen ze haar. Ze zei: 'Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem naartoe gebracht hebben.' Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. 'Waarom huil je?' vroeg Jezus. 'Wie zoek je?' Maria dacht dat het de tuinman was en zei: 'Als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen.' Jezus zei tegen haar: 'Maria!' Ze draaide zich om en zei: '\@Rabboeni!\@' (Dat betekent 'meester'.) 'Houd me niet vast, 'zei Jezus. 'Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.' Maria uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: 'Ik heb de Heer gezien!' En ze vertelde alles wat hij tegen haar gezegd had."

"Op zondagmorgen, de morgen na de sabbat, ging Maria van Magdala al heel vroeg naar het graf. Toen zij daar aankwam, zag zij dat de steen voor de ingang was weggerold. Zo vlug ze kon, holde zij naar Simon Petrus en Johannes. "De Here is uit het graf gehaald!" hijgde ze. "Wij weten niet waar ze Hem hebben neergelegd." Petrus en Johannes renden onmiddellijk naar het graf. Johannes liep vlugger dan Petrus en was er het eerst. Hij boog zich voorover, keek in het graf en zag alleen de linnen windsels liggen. Maar hij ging niet naar binnen. etrus, die even na hem was gekomen, ging het graf wel binnen. Hij zag de windsels en ook de doek waarmee Jezus' hoofd bedekt was geweest. Die doek was opgerold en lag apart. Johannes ging toen ook naar binnen. Door wat hij zag, geloofde hij dat Jezus weer levend was geworden. Want zij wisten nog niet dat er geschreven stond dat Hij uit de dood zou terugkomen. De twee discipelen gingen terug naar huis. Maria van Magdala bleef echter bij het graf achter. Snikkend boog zij zich voorover en keek in het graf. Op de plaats waar Jezus had gelegen, zag zij twee engelen in witte kleren zitten. Een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde van de plaats waar Hij gelegen had. "Waarom huilt u?" vroegen zij haar. "Ze hebben mijn Heer weggenomen," antwoordde Maria, "en ik weet niet waar Hij is." Zij keek achterom. Daar stond Jezus, maar zij herkende Hem niet. Zij dacht dat het de tuinman was. "Waarom huilt u?" vroeg Jezus. "Wie zoekt u?" "Och, heer, als u Hem ergens anders hebt neergelegd, zeg het alstublieft. Dan neem ik Hem mee," zei zij. "Maria," zei Jezus. Zij keek Hem aan. "Meester!" riep zij uit. "Raak Mij niet aan," zei Jezus. "Want Ik ben nog niet teruggekeerd naar mijn Vader. Ga naar mijn broeders en vertel hun dat Ik terugga naar mijn Vader, Die ook jullie Vader is. Naar mijn God, Die ook jullie God is." Maria ging snel naar Jezus' discipelen. "Ik heb de Here gezien!" zei ze en vertelde hun wat Hij tegen haar gezegd had."

 

Lees deze Wat Jezus deed in:
- Engels

 

Vorige Wat Jezus Deed

9 december 2018 Johannes 19:41-42
8 december 2018 Johannes 19:39-40
7 december 2018 Johannes 19:38
6 december 2018 Johannes 19:35-37
5 december 2018 Johannes 19:32-34
4 december 2018 Johannes 19:31
3 december 2018 Johannes 19:28-30
 

Home