Lees meer...

Gratis E-maildiensten!

Ontvang GRATIS dagelijks reflecties en meer via e-mail!

Dagelijkse Overdenking
Wat Jezus Deed
Dagelijks Christelijke Quote
Dagelijks Bijbelvers

 

Wat Jezus Deed

Donderdag 2 augustus 2018

 

Johannes 11:20-22

         
  • Statenvertaling
  • GNV
  • NBG 1951
  • NBV
  • Het Boek

"Martha dan, als zij hoorde, dat Jezus kwam, ging Hem tegemoet; doch Maria bleef in huis zitten. Zo zeide Martha dan tot Jezus: Heere, waart Gij hier geweest, zo ware mijn broeder niet gestorven; Maar ook nu weet ik, dat alles, wat Gij van God begeren zult, God U het geven zal."

"Toen Marta hoorde dat Jezus eraan kwam, ging ze hem tegemoet; Maria bleef thuis. 'Heer, als u hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn!' zei Marta tegen Jezus. 'Maar ook nu weet ik dat God u alles zal geven waar u hem om vraagt.'"

"Toen Marta hoorde dat Jezus onderweg was ging ze hem tegemoet, terwijl Maria thuisbleef. Marta zei tegen Jezus: 'Als u hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar zelfs nu weet ik dat God u alles zal geven wat u vraagt.'"

"Toen Marta hoorde dat Jezus onderweg was ging ze hem tegemoet, terwijl Maria thuisbleef. Marta zei tegen Jezus: 'Als u hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar zelfs nu weet ik dat God u alles zal geven wat u vraagt.'"

"Zodra Martha hoorde dat Jezus er aankwam, ging zij Hem tegemoet. Maar Maria bleef thuis. "Here," zei Martha tegen Jezus, "als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar ik ben er zeker van dat God U ook nu zal geven wat U Hem vraagt."

 

Overdenking van vandaag:

Wauw! Martha zei dingen die eigenlijk groter waren dan haar begrip en haar geloof. Jezus zou en kon haar geven wat hij maar van de Vader vroeg.  

Soms laten wij de boze ons wijsmaken dat het op de ťťn of andere manier gemakkelijker zou zijn om geloof te hebben als Jezus lijfelijk aanwezig bij ons aanwezig zou zijn en dat wij dan veel grootsere dingen zouden kunnen doen. Jezus zegt echter dat de waarheid precies andersom is. Omdat hij naar de Vader is gegaan, kunnen wij in zijn naam bidden en zal Jezus de Vader vragen en zullen wij ontvangen.  

Laten wij vragen om een geloof dat groter is dan onze gevoelens en ons begrip, wetende dat, wanneer wij vragen in de naam van Jezus, God ons gebed hoort en ons zegent met het beste uit de hemel afkomstige antwoord!

 

Gebed:

Vader, ik geloof dat u ernaar verlangt om mij te zegenen wanneer ik bid in de naam van Jezus, uw Zoon en mijn Redder. Ik geloof dat u machtige dingen kan doen als antwoord op mijn uitroepen. Daarom bid ik dat u krachtig werkt in de volgende kwesties die op mijn hart liggen ... Ik bid in Jezus' machtige en gezaghebbende naam. Amen.

 

Contekst: Johannes 11:17-37

         
  • Statenvertaling
  • GNV
  • NBG 1951
  • NBV
  • Het Boek

"Jezus dan, gekomen zijnde, vond, dat hij nu vier dagen in het graf geweest was. (Bethanie nu was nabij Jeruzalem, omtrent vijftien stadien van [daar].) En velen uit de Joden waren gekomen tot Martha en Maria, opdat zij haar vertroosten zouden over haar broeder. Martha dan, als zij hoorde, dat Jezus kwam, ging Hem tegemoet; doch Maria bleef in huis zitten. Zo zeide Martha dan tot Jezus: Heere, waart Gij hier geweest, zo ware mijn broeder niet gestorven; Maar ook nu weet ik, dat alles, wat Gij van God begeren zult, God U het geven zal. Jezus zeide tot haar: Uw broeder zal wederopstaan. Martha zeide tot Hem: Ik weet, dat hij opstaan zal in de opstanding ten laatsten dage. Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven; En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat? Zij zeide tot Hem: Ja, Heere; ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zone Gods, Die in de wereld komen zou. En dit gezegd hebbende, ging zij heen, en riep Maria, haar zuster, heimelijk, zeggende: De Meester is daar, en Hij roept u. Deze, als zij [dat] hoorde, stond haastelijk op, en ging tot Hem. (Jezus nu was nog in het vlek niet gekomen, maar was in de plaats, waar Hem Martha tegemoet gekomen was.) De Joden dan, die met haar in het huis waren, en haar vertroostten, ziende Maria, dat zij haastelijk opstond en uitging, volgden haar, zeggende: Zij gaat naar het graf, opdat zij aldaar wene. Maria dan, als zij kwam, waar Jezus was, en Hem zag, viel aan Zijn voeten, zeggende tot Hem: Heere, indien Gij hier geweest waart, zo ware mijn broeder niet gestorven. Jezus dan, als Hij haar zag wenen, en de Joden, die met haar kwamen, [ook] wenen, werd zeer bewogen in den geest, en ontroerde Zichzelven; En zeide: Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot Hem: Heere, kom en zie het. Jezus weende. De Joden dan zeiden: Ziet, hoe lief Hij hem had! En sommigen uit hen zeiden: Kon Hij, Die de ogen des blinden geopend heeft, niet maken, dat ook deze niet gestorven ware?"

"Toen Jezus daar aankwam, hoorde hij dat Lazarus al vier dagen daarvoor was begraven. BetaniŽ ligt dicht bij Jeruzalem, op een afstand van nog geen drie kilometer, en veel Joden waren bij Marta en Maria gekomen om hen te troosten bij het overlijden van hun broer. Toen Marta hoorde dat Jezus eraan kwam, ging ze hem tegemoet; Maria bleef thuis. 'Heer, als u hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn!' zei Marta tegen Jezus. 'Maar ook nu weet ik dat God u alles zal geven waar u hem om vraagt.' Jezus antwoordde haar: 'Je broer zal opstaan uit de dood.' 'Ik weet,' zei Marta, 'dat hij zal opstaan bij de opstanding op de laatste dag.' Jezus zei: 'Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook al sterft hij; en ieder die leeft en in mij gelooft zal nooit meer sterven. Geloof je dat?' Zij zei: 'Ja, Heer! Ik geloof dat u de Christus bent, de Zoon van God, hij die in de wereld zou komen.' Toen ze dat gezegd had, ging ze haar zuster Maria roepen. Ze zei fluisterend: 'De meester is er; hij vraagt naar je.' Toen Maria dat hoorde, stond ze vlug op en ging naar hem toe. Jezus was het dorp nog niet ingegaan, maar stond nog op de plaats waar Marta hem tegemoet was gekomen. De Joden die bij Maria in huis waren om haar te troosten, zagen haar plotseling opstaan en het huis uitlopen. Ze gingen haar achterna omdat ze dachten dat ze naar het graf ging om er te huilen. Maria kwam op de plek waar Jezus was. Toen ze hem zag, viel ze voor hem op de knieŽn: 'Heer, als u hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn!' Toen Jezus haar zag huilen, en ook de Joden die met haar waren meegekomen, vroeg hij boos en geŽrgerd: 'Waar hebben jullie hem neergelegd?' 'Kom maar kijken, Heer,' antwoordden ze. Jezus begon te huilen. 'Kijk eens hoeveel hij van hem hield!' zeiden de Joden. Maar sommigen van hen merkten op: 'Hij heeft toch de ogen van de blinde genezen? Had hij dan ook niet de dood van Lazarus kunnen voorkomen?'"

"Toen Jezus dan aankwam, bevond Hij, dat hij reeds vier dagen in het graf lag. Betanie nu was dicht bij Jeruzalem gelegen, op een afstand van ongeveer vijftien stadien. Vele uit de Joden waren tot Marta en Maria gekomen om haar te troosten over haar broeder. Toen nu Marta hoorde, dat Jezus kwam, ging zij Hem tegemoet, doch Maria bleef in huis zitten. Marta dan zeide tot Jezus: Here, indien gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn. Ook nu weet ik, dat God U geven zal al wat Gij van God begeert. Jezus zeide tot haar: Uw broeder zal opstaan. Marta zeide tot Hem: Ik weet, dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongsten dage. Jezus zeide tot haar: Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat? Zij zeide tot Hem: Ja, Here, ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van God, die in de wereld komen zou. En na deze woorden ging zij heen en riep haar zuster Maria in stilte en zeide: Daar is de Meester en Hij roept u. En toen zij dat hoorde, stond zij ijlings op en ging tot Hem; Jezus echter was nog niet in het dorp gekomen, maar bevond Zich nog op de plaats, waar Marta Hem ontmoet had. De Joden dan, die met haar in het huis waren en haar troostten, zagen Maria ijlings opstaan en naar buiten gaan en zij volgden haar, vermoedende, dat zij naar het graf ging om daar te wenen. Toen Maria dan kwam, waar Jezus was en Hem zag, viel zij Hem te voet en zeide tot Hem: Here, indien Gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn. Toen Jezus haar dan zag wenen en ook de Joden, die met haar medegekomen waren, zag wenen, werd Hij verbolgen in de geest en diep ontroerd, en Hij zeide: Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot Hem: Here, kom en zie. Jezus weende. De Joden dan zeiden: Zie, hoe lief Hij hem had! Maar sommigen van hen zeiden: Had Hij, die de ogen van de blinde heeft geopend, niet kunnen maken, dat ook deze niet stierf?"

"Toen Jezus daar aankwam, hoorde hij dat Lazarus al vier dagen in het graf lag. BetaniŽ lag dicht bij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadie, en er waren dan ook veel Joden naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten nu hun broer gestorven was. Toen Marta hoorde dat Jezus onderweg was ging ze hem tegemoet, terwijl Maria thuisbleef. Marta zei tegen Jezus: 'Als u hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar zelfs nu weet ik dat God u alles zal geven wat u vraagt.' Jezus zei: 'Je broer zal uit de dood opstaan.' 'Ja, 'zei Marta, 'ik weet dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan.' Maar Jezus zei: 'Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, en ieder die leeft en in mij gelooft zal nooit sterven. Geloof je dat?' 'Ja Heer, 'zei ze, 'ik geloof dat u de messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.' Na deze woorden ging ze terug, ze nam haar zuster Maria apart en zei: 'De meester is er, en hij vraagt naar je.' Zodra Maria dit hoorde ging ze naar Jezus toe, die nog niet in het dorp was, maar op de plek waar Marta hem tegemoet was gekomen. Toen de Joden die bij haar in huis waren om haar te troosten, Maria zo haastig zagen weggaan, liepen ze achter haar aan, want ze dachten dat ze naar het graf ging om daar te weeklagen. Zodra Maria op de plek kwam waar Jezus was en hem zag, viel ze aan zijn voeten neer. Ze zei: 'Als u hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn!' Jezus zag hoe zij en de Joden die bij haar waren weeklaagden, en dat ergerde hem. Diep bewogen vroeg hij: 'Waar hebben jullie hem neergelegd?' Ze zeiden: 'Kom maar kijken, Heer.' Jezus begon ook te huilen, en de Joden zeiden: 'Wat heeft hij veel van hem gehouden!' Maar er werd ook gezegd: 'Hij heeft de ogen van een blinde geopend, hij had nu toch ook de dood van Lazarus kunnen voorkomen?'"

"Toen Jezus in BethaniŽ aankwam, bleek Lazarus al vier dagen daarvoor begraven te zijn. BethaniŽ ligt op nog geen drie kilometer van Jeruzalem. Er waren verscheidene Joden gekomen om Martha en Maria te troosten over het verlies van hun broer. Zodra Martha hoorde dat Jezus er aankwam, ging zij Hem tegemoet. Maar Maria bleef thuis. "Here," zei Martha tegen Jezus, "als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar ik ben er zeker van dat God U ook nu zal geven wat U Hem vraagt." "Je broer wordt weer levend, Martha," zei Jezus. "Ja, dat weet ik," antwoordde zij. "Hij zal weer levend worden als hij op de laatste dag uit de dood terugkomt." "Ik geef de doden het leven terug," zei Jezus tegen haar. "Ik ben Zelf het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, zelfs als hij gestorven is. Wie leeft en in Mij gelooft, zal nooit sterven. Geloof je dat?" "Ja, Here," antwoordde zij. "Ik geloof dat U de Christus bent, de Zoon van God, Die in de wereld komen zou." Hierna ging zij weg om haar zuster te halen. "Maria," zei zij zacht, "de Meester is er en Hij wil je spreken." Maria stond onmiddellijk op en ging naar Jezus toe. Jezus was nog niet in het dorp aangekomen. Hij was op de plaats gebleven waar Martha Hem had ontmoet. De Joden die bij Maria waren om haar te troosten, zagen hoe zij vlug opstond en naar buiten liep. Zij volgden haar omdat zij dachten dat zij naar het graf ging om haar verdriet uit te huilen. Toen Maria bij Jezus kwam, viel zij voor Hem op de knieŽn en zei: "Here, als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn!" Toen Jezus haar en de Joden die met haar waren meegekomen, zag huilen, greep het verdriet Hem aan. "Waar hebben jullie hem neergelegd?" vroeg Hij ontroerd. "Wij zullen het U wijzen, Here," antwoordden zij. Jezus huilde. De Joden zeiden tegen elkaar: "Je kunt wel zien dat Hij veel van Lazarus hield." Maar enkelen van hen merkten schamper op: "Hij had er toch wel voor kunnen zorgen dat Lazarus niet gestorven was! Hij heeft toch ook iemand van blindheid genezen?"

 

Lees deze Wat Jezus deed in:
- Engels

 

Vorige Wat Jezus Deed

1 augustus 2018 Johannes 11:17-19
31 juli 2018 Johannes 11:16
30 juli 2018 Johannes 11:7-15
29 juli 2018 Johannes 11:5-6
28 juli 2018 Johannes 11:3-4
27 juli 2018 Johannes 11:1-2
26 juli 2018 Johannes 10:39-42
 

Home