Lees meer...

Gratis E-maildiensten!

Ontvang GRATIS dagelijks reflecties en meer via e-mail!

Dagelijkse Overdenking
Wat Jezus Deed
Dagelijks Christelijke Quote
Dagelijks Bijbelvers

 

Wat Jezus Deed

Donderdag 27 juli 2017

 

MatthŽus 15:32-33

         
  • Statenvertaling
  • GNV
  • NBG 1951
  • NBV
  • Het Boek

"En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide: Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare, omdat zij nu drie dagen bij Mij gebleven zijn, en hebben niet wat zij eten zouden; en Ik wil hen niet nuchteren van Mij laten, opdat zij op den weg niet bezwijken. En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Van waar [zullen] wij zovele broden in de woestijn [bekomen], dat wij zulk een grote schare zouden verzadigen?"

"Jezus riep zijn leerlingen bij zich en zei: 'Ik heb medelijden met die mensen; ze zijn al drie dagen bij me en ze hebben niets te eten. En ik wil ze niet met een lege maag naar huis sturen, want dan raken ze onderweg uitgeput.' 'Waar halen we in deze verlaten streek genoeg brood vandaan om zoveel mensen te eten te geven?' vroegen de leerlingen."

"Nadat Jezus zijn leerlingen bij zich had geroepen, zei hij: 'Ik heb medelijden met al die mensen, want ze zijn nu al drie dagen bij me en ze hebben niets meer te eten. En hen met een lege maag naar huis sturen wil ik niet, want dan zouden ze onderweg bezwijken.' De leerlingen antwoordden: 'Maar waar halen we in deze verlatenheid genoeg brood vandaan om al die mensen te voeden?'"

"Nadat Jezus zijn leerlingen bij zich had geroepen, zei hij: 'Ik heb medelijden met al die mensen, want ze zijn nu al drie dagen bij me en ze hebben niets meer te eten. En hen met een lege maag naar huis sturen wil ik niet, want dan zouden ze onderweg bezwijken.' De leerlingen antwoordden: 'Maar waar halen we in deze verlatenheid genoeg brood vandaan om al die mensen te voeden?'"

"Jezus riep Zijn discipelen bij Zich en zei tegen hen: "Ik heb met deze mensen te doen. Ze zijn nu al drie dagen bij Mij en hebben niets te eten. Ik wil ze niet zonder eten naar huis laten gaan. Anders zullen ze onderweg nog naar worden van de honger." "Waar moeten we hier brood vandaan halen om al die mensen te eten te geven?" vroegen de discipelen verwonderd. "Hier woont immers niemand."

 

Overdenking van vandaag:

Ik ben niet dol op de zomerherhalingen van tv-programma's. Jezus houdt ook niet veel van herhalingen. Na het eten geven aan de 5000, lijkt het logisch voor de leerlingen om hier de hint te krijgen. Ze doen het niet! Met nog meer middelen en een kleiner publiek dan de eerste keer, lijkt het niet dat ze een antwoord hebben, ook al is hij bij hen op dat moment.  

Gelukkig gaf Jezus niet op toen ze traag waren in het begrijpen van zijn boodschap. Voor mij is dat een belangrijke les om te leren: ik moet meer geduld hebben met de mensen om te verbeteren, te rijpen en te groeien in hun tocht en niet enkel opgeven wanneer ze het een poos niet begrijpen!

 

Gebed:

Barmhartig hemelse Vader, ik dank u dat niet opgeeft met mij. Dank u voor uw edelmoedigheid om mij mijn zonden te vergeven. Dank u dat u mij zegent met de Heilige Geest en mij helpt om te rijpen en te groeien om meer als Christus te worden. Vergeef me als ik ongeduldig ben met anderen terwijl u zo geduldig met mij bent. In Jezus' naam bid ik. Amen.

 

Contekst: MatthŽus 15:21-39

         
  • Statenvertaling
  • GNV
  • NBG 1951
  • NBV
  • Het Boek

"En Jezus van daar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en Sidon. En ziet, een Kananese vrouw, uit die landpalen komende, riep tot Hem, zeggende: Heere! [Gij] Zone Davids, ontferm U mijner! mijn dochter is deerlijk van den duivel bezeten. Doch Hij antwoordde haar niet een woord. En Zijn discipelen, tot Hem komende, baden Hem, zeggende: Laat haar van U; want zij roept ons na. Maar Hij, antwoordende, zeide: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israels. En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij! Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en den hondekens [voor] te werpen. En zij zeide: Ja, Heere! doch de hondekens eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren. Toen antwoordde Jezus, en zeide tot haar: O vrouw! groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt. En haar dochter werd gezond van diezelfde ure. En Jezus, van daar vertrekkende, kwam aan de zee van Galilea, en klom op den berg, en zat daar neder. En vele scharen zijn tot Hem gekomen, hebbende bij zich kreupelen, blinden, stommen, lammen, en vele anderen, en wierpen ze voor de voeten van Jezus; en Hij genas dezelve. Alzo dat de scharen zich verwonderden, ziende de stommen sprekende, de lammen gezond, de kreupelen wandelende, en de blinden ziende; en zij verheerlijkten den God Israels. En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide: Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare, omdat zij nu drie dagen bij Mij gebleven zijn, en hebben niet wat zij eten zouden; en Ik wil hen niet nuchteren van Mij laten, opdat zij op den weg niet bezwijken. En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Van waar [zullen] wij zovele broden in de woestijn [bekomen], dat wij zulk een grote schare zouden verzadigen? En Jezus zeide tot hen: Hoevele broden hebt gij? Zij zeiden: Zeven, en weinige visjes. En Hij gebood den scharen neder te zitten op de aarde. En Hij nam de zeven broden en de vissen, en als Hij gedankt had, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen; en de discipelen [gaven] [ze] aan de schare. En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op, het overschot der brokken, zeven volle manden. En die daar gegeten hadden, waren vier duizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen. En de scharen van Zich gelaten hebbende, ging Hij in het schip, en kwam in de landpalen van Magdala."

"Jezus ging daarvandaan naar het gebied van Tyrus en Sidon. Een Kananese vrouw uit die streek kwam naar hem toe. Ze riep: 'Heer, Zoon van David, heb medelijden met mij. Mijn dochter is bezeten; ze is er vreselijk aan toe.' Maar hij gaf haar helemaal geen antwoord. 'Stuur haar weg,' vroegen zijn leerlingen hem. 'Ze blijft ons naroepen.' Hij antwoordde: 'Ik ben alleen naar de verloren schapen van het volk IsraŽl gestuurd.' Maar de vrouw kwam dichterbij en viel voor hem op de knieŽn. 'Heer, help mij,' zei ze. Hij antwoordde: 'Het is niet juist het brood dat voor de kinderen bestemd is, de honden voor te gooien.' Maar zij zei: 'Dat is zo, Heer, maar de honden eten wel de kruimels die van de tafel van hun baas vallen.' Toen zei Jezus tegen haar: 'Vrouw, wat is uw geloof groot! Moge gebeuren wat u vraagt.' En vanaf dat ogenblik was haar dochter genezen. Jezus verliet dat gebied weer, trok langs het meer van Galilea en ging de berg op. Toen hij daar zat, stroomden de mensen in groten getale naar hem toe. Ze brachten verlamden, blinden, kreupelen en doofstommen mee en nog veel andere zieken en legden die aan zijn voeten neer. En hij genas hen. De mensen zagen tot hun verbazing dat stommen spraken, kreupelen gezond werden, verlamden liepen en blinden zagen. En ze brachten eer aan de God van IsraŽl. Jezus riep zijn leerlingen bij zich en zei: 'Ik heb medelijden met die mensen; ze zijn al drie dagen bij me en ze hebben niets te eten. En ik wil ze niet met een lege maag naar huis sturen, want dan raken ze onderweg uitgeput.' 'Waar halen we in deze verlaten streek genoeg brood vandaan om zoveel mensen te eten te geven?' vroegen de leerlingen. 'Hoeveel broden hebben jullie?' vroeg hij. Ze zeiden: 'Zeven, en een paar visjes.' Daarop zei hij tegen de mensen dat ze op de grond moesten gaan zitten. Toen nam hij de zeven broden en de vissen, sprak het dankgebed uit, brak ze in stukken en gaf ze aan de leerlingen, en de leerlingen gaven ze weer door aan de mensen. En ze aten allemaal tot ze genoeg hadden. De leerlingen haalden de brokken op die over waren: zeven manden vol. Het aantal mannen dat gegeten had, was vierduizend, vrouwen en kinderen dus niet meegerekend. Toen stuurde Jezus de mensen weg; hij stapte in de boot en ging naar het gebied van Magadan."

"En Jezus ging vandaar en trok Zich terug naar de omgeving van Tyrus en Sidon. En zie, een Kananese vrouw uit dat gebied kwam en riep: Heb medelijden met mij, Here, Zoon van David, mijn dochter is deerlijk bezeten. Hij echter antwoordde haar geen woord, en zijn discipelen kwamen bij Hem en vroegen Hem, zeggende: Zend haar weg, want zij roept ons na. Hij echter antwoordde en zeide: Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israels. Maar zij kwam en viel voor Hem neer en zeide: Here, help mij! Hij echter antwoordde en zeide: Het is niet goed het brood der kinderen te nemen en het de honden voor te werpen. Maar zij zeide: Zeker, Here ook de honden eten immers van de kruimels, die van de tafel van hun meesters vallen. Toen antwoordde Jezus en zeide tot haar: O, vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wenst! En haar dochter was genezen van dat ogenblik af. En Jezus vertrok vandaar, en Hij ging langs de zee van Galilea en ging de berg op, en Hij zette Zich daar neder. En vele scharen kwamen bij Hem, die lammen, kreupelen, blinden, stommen en vele anderen bij zich hadden, en zij legden die aan zijn voeten neer. En Hij genas hen, zodat de schare zich verwonderde, want zij zagen stommen spreken, kreupelen gezond, lammen lopen en blinden zien. En zij verheerlijkten de God van Israel. Maar Jezus riep zijn discipelen tot Zich en zeide: Ik heb medelijden met de schare, want zij zijn nu reeds drie dagen bij Mij gebleven en hebben niets te eten. En zonder voedsel wegzenden wil Ik hen niet, zij mochten eens onderweg bezwijken. En zijn discipelen zeiden tot Hem: Hoe komen wij in een eenzame streek aan zoveel broden, dat wij zulk een schare verzadigen kunnen? En Jezus zeide tot hen: Hoeveel broden hebt gij? Zij zeiden: Zeven en enkele visjes. En Hij gaf aan de schare bevel, dat zij op de grond zouden gaan zitten. Daarna nam Hij de zeven broden en de vissen, dankte en brak ze, en Hij gaf ze aan zijn discipelen en de discipelen gaven ze aan de scharen. En zij aten allen en werden verzadigd, en zij raapten het overschot der brokken op, zeven korven vol. Zij, die gegeten hadden, waren vierduizend mannen, vrouwen en kinderen niet medegerekend. En nadat Hij de schare weggezonden had, ging Hij in het schip en vertrok naar het gebied van Magadan."

"En weer vertrok Jezus; hij week uit naar het gebied van Tyrus en Sidon. Plotseling klonk de roep van een Kanašnitische vrouw die uit die streek afkomstig was: 'Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter wordt vreselijk gekweld door een demon.' Maar hij keurde haar geen woord waardig. Zijn leerlingen kwamen naar hem toe en vroegen hem dringend: 'Stuur haar toch weg, anders blijft ze maar achter ons aan schreeuwen.' Hij antwoordde: 'Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk van IsraŽl.' Maar zij kwam dichterbij, wierp zich voor hem neer en zei: 'Heer, help mij!' Hij antwoordde: 'Het is niet goed om de kinderen hun brood af te nemen en het aan de honden te voeren.' Ze zei: 'Zeker, Heer, maar de honden eten toch de kruimels op die van de tafel van hun baas vallen.' Toen antwoordde Jezus haar: 'U hebt een groot geloof! Wat u verlangt, zal ook gebeuren.' En vanaf dat moment was haar dochter genezen. Jezus trok weer verder. Bij het Meer van Galilea ging hij de berg op; daar ging hij zitten. Er kwamen grote mensenmassa's op hem af. Men had verlamden, blinden, kreupelen, doofstommen en vele anderen meegebracht, die men aan zijn voeten legde, en hij genas hen allen. De mensen zagen vol verwondering hoe doofstommen gingen spreken, kreupelen beter werden, verlamden gingen lopen en blinden weer konden zien, en ze brachten hulde aan de God van IsraŽl. Nadat Jezus zijn leerlingen bij zich had geroepen, zei hij: 'Ik heb medelijden met al die mensen, want ze zijn nu al drie dagen bij me en ze hebben niets meer te eten. En hen met een lege maag naar huis sturen wil ik niet, want dan zouden ze onderweg bezwijken.' De leerlingen antwoordden: 'Maar waar halen we in deze verlatenheid genoeg brood vandaan om al die mensen te voeden?' Jezus vroeg hun: 'Hoeveel broden hebben jullie?' Ze zeiden: 'Zeven, en wat visjes.' Hij gaf de mensen opdracht op de grond te gaan zitten. Toen nam hij de zeven broden en de vissen, sprak het dankgebed uit, brak de broden en deelde ze uit aan de leerlingen, en de leerlingen gaven ze aan de mensen. Iedereen at en werd verzadigd, en toen ze de stukken brood die over waren ophaalden, hadden ze zeven manden vol. Er hadden ongeveer vierduizend man gegeten, vrouwen en kinderen niet meegeteld. Nadat hij de mensen had weggestuurd, stapte hij in de boot en voer naar de omgeving van Magadan."

"Jezus verliet dat deel van het land en ging op weg naar de streek van Tyrus en Sidon. Een Kananese vrouw, die daar woonde, kwam naar Hem toe en zei smekend: "Here, Zoon van David, heb medelijden met mij. Mijn dochter is in de macht van een boze geest." Maar Jezus gaf haar geen antwoord. Zijn discipelen zeiden dat Hij haar maar moest wegsturen. "Zij loopt steeds achter ons aan te zeuren," zeiden zij. Jezus zei tegen de vrouw: "Ik ben gestuurd om de Joden te helpen en niet de andere volken." De vrouw viel voor Hem op haar knieŽn en smeekte: "Here, help mij!" "Het is niet goed het brood van de kinderen af te nemen en aan de honden te geven," zei Hij. "Inderdaad, Here. Maar de honden mogen toch wel de kruimels opeten die van de tafel vallen," was haar antwoord. "Wat hebt u een groot geloof!" zei Jezus. "U krijgt wat u hebt gevraagd." En haar dochter werd op datzelfde moment genezen. Later ging Jezus terug naar het meer van Galilea. Toen Hij daar ergens op een heuvel zat, kwamen heel veel mensen naar Hem toe. Er werden velen bij Hem gebracht die verlamd, verminkt of blind waren. Er kwamen mensen die niet konden spreken of die ziek waren. Zij werden allemaal voor Jezus neergelegd. Hij genas hen. Het was iets geweldigs! Mensen die vroeger geen woord konden uitbrengen, stonden te praten. Mensen die kreupel waren geweest, stonden recht op hun benen. Mensen die verlamd waren geweest, liepen gewoon rond. En mensen die blind waren geweest, keken nu hun ogen uit. De God van IsraŽl werd door iedereen geŽerd en geprezen. Jezus riep Zijn discipelen bij Zich en zei tegen hen: "Ik heb met deze mensen te doen. Ze zijn nu al drie dagen bij Mij en hebben niets te eten. Ik wil ze niet zonder eten naar huis laten gaan. Anders zullen ze onderweg nog naar worden van de honger." "Waar moeten we hier brood vandaan halen om al die mensen te eten te geven?" vroegen de discipelen verwonderd. "Hier woont immers niemand." "Hoeveel brood hebben jullie bij je?" vroeg Jezus. "Zeven broden en een paar visjes." Jezus zei tegen de mensen dat zij op de grond moesten gaan zitten. Hij nam de zeven broden en de visjes en dankte God ervoor. Daarna brak Hij ze in stukken en gaf ze aan Zijn discipelen. De discipelen gaven het brood en de vis aan de mensen. Ieder at tot hij genoeg had. Er bleef zelfs nog veel over: Zeven manden vol. En toch had een geweldig aantal mensen te eten gekregen: 4000 mannen, vrouwen en kinderen niet meegerekend! Daarna stuurde Jezus de mensen naar huis, stapte in de boot en stak over naar Magadan."

 

Lees deze Wat Jezus deed in:
- Engels

 

Vorige Wat Jezus Deed

26 juli 2017 MatthŽus 15:29-31
25 juli 2017 MatthŽus 15:25-28
24 juli 2017 MatthŽus 15:21-24
23 juli 2017 MatthŽus 15:15-20
22 juli 2017 MatthŽus 15:12-14
21 juli 2017 MatthŽus 15:10-11
20 juli 2017 MatthŽus 15:7-9
 

Home