Lees meer...

Gratis E-maildiensten!

Ontvang GRATIS dagelijks reflecties en meer via e-mail!

Dagelijkse Overdenking
Wat Jezus Deed
Dagelijks Christelijke Quote
Dagelijks Bijbelvers

 

Wat Jezus Deed

Donderdag 26 april 2018

 

Johannes 6:16-20

         
  • Statenvertaling
  • GNV
  • NBG 1951
  • NBV
  • Het Boek

"En als het avond geworden was, gingen Zijn discipelen af naar de zee. En in het schip gegaan zijnde, kwamen zij over de zee naar Kapernaum. En het was alrede duister geworden, en Jezus was tot hen niet gekomen. En de zee verhief zich, overmits er een grote wind waaide. En als zij omtrent vijf en twintig of dertig stadien gevaren waren, zagen zij Jezus, wandelende op de zee, en komende bij het schip; en zij werden bevreesd. Maar Hij zeide tot hen: Ik ben het; zijt niet bevreesd."

"Tegen de avond daalden zijn leerlingen af naar het meer. Ze gingen aan boord van een boot om over te steken naar Kafarnaum. Het was al donker, en Jezus had zich nog niet bij hen gevoegd. Intussen stak er een hevige wind op die de golven opjoeg. Toen ze ongeveer vijf kilometer hadden geroeid, zagen ze Jezus over het meer lopen; hij was dicht bij de boot. Ze werden bang, maar hij zei tegen hen: 'Ik ben het; wees niet bang.'"

"Bij het vallen van de avond daalden zijn leerlingen af naar het meer; ze stapten in een boot en zetten koers naar de overkant, naar Kafarnaüm. Het was al donker geworden, en Jezus was nog niet naar hen toe gekomen. Er stak een hevige wind op en het meer werd onstuimig. Toen ze vijfentwintig of dertig stadie geroeid hadden, zagen ze plotseling Jezus over het meer lopen; hij was dicht bij de boot en ze werden bang. Maar hij zei: 'Ik ben het, wees niet bang.'"

"Bij het vallen van de avond daalden zijn leerlingen af naar het meer; ze stapten in een boot en zetten koers naar de overkant, naar Kafarnaüm. Het was al donker geworden, en Jezus was nog niet naar hen toe gekomen. Er stak een hevige wind op en het meer werd onstuimig. Toen ze vijfentwintig of dertig stadie geroeid hadden, zagen ze plotseling Jezus over het meer lopen; hij was dicht bij de boot en ze werden bang. Maar hij zei: 'Ik ben het, wees niet bang.'"

"Bij het vallen van de avond daalden Zijn discipelen de berg af en kwamen bij het meer. Toen het al donker was en Jezus nog steeds wegbleef, gingen zij in een boot en staken over naar Kapernaüm. Plotseling begon het vreselijk te waaien en kwamen er hoge golven op het meer. Nadat zij ongeveer vijf kilometer geroeid hadden, zagen zij Jezus over het water lopen. Hij kwam naar hun boot toe. Zij werden bang, maar Hij zei: "Ik ben het! Jullie hoeven niet bang te zijn."

 

Overdenking van vandaag:

Jezus' woorden tot zijn doodsbange discipelen waren krachtig: "Ik ben het, heb geen angst!" Gebouwd op zijn "Ik ben" verklaringen in het hele evangelie van Johannes, moeten deze niet worden onderschat.  

Jezus' woorden bouwen voort op de vergelijkbare toonbeelden van de God van Israël die zichzelf liet zien als de grote "Ik ben" in Exodus en de God die redt uit de diepe oceaan in de Psalmen. "Ik ben God met u, u hoeft niet bang te zijn! Ik kan de storm bedaren. Ik kan bewaren en beschermen."  

Jezus komt bij ons in het midden van onze stormen en zegt hetzelfde tegen ons. Stormen zijn onvermijdelijk. Maar in plaats van ons te bedekken in de stormen van ons leven, komt Jezus en ontmoet ons in het midden ervan, zodat we niet alleen hoeven te zijn!

 

Gebed:

Geef me trouw, God, om te geloven dat in de ergste stormen van mijn leven, ik erop kan vertrouwen dat u er bent en dat u me vrijkoopt om thuis te komen. Dank u voor de verzekering dat u mij nooit zal verlaten of in de steek zal laten. In Jezus' naam. Amen.

 

Contekst: Johannes 6:1-21

         
  • Statenvertaling
  • GNV
  • NBG 1951
  • NBV
  • Het Boek

"Na dezen vertrok Jezus over de zee van Galilea, welke is [de] [zee] van Tiberias. En Hem volgde een grote schare, omdat zij Zijn tekenen zagen, die Hij deed aan de kranken. En Jezus ging op den berg, en zat aldaar neder met Zijn discipelen. En het pascha, het feest der Joden, was nabij. Jezus dan, de ogen opheffende, en ziende, dat een grote schare tot Hem kwam, zeide tot Filippus: Van waar zullen wij broden kopen, opdat deze eten mogen? (Doch dit zeide Hij, hem beproevende; want Hij wist Zelf, wat Hij doen zou.) Filippus antwoordde Hem: Voor tweehonderd penningen brood is voor dezen niet genoeg, opdat een iegelijk van hen een weinig neme. Een van Zijn discipelen, [namelijk] Andreas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot Hem: Hier is een jongsken, dat vijf gerstebroden heeft, en twee visjes; maar wat zijn deze onder zo velen? En Jezus zeide: Doet de mensen nederzitten. En er was veel gras in die plaats. Zo zaten dan de mannen neder, omtrent vijf duizend in getal. En Jezus nam de broden, en gedankt hebbende, deelde Hij ze den discipelen, en de discipelen dengenen, die nedergezeten waren; desgelijks ook van de visjes, zoveel zij wilden. En als zij verzadigd waren, zeide Hij tot Zijn discipelen: Vergadert de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren ga. Zij vergaderden ze dan, en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, welke overgeschoten waren dengenen, die gegeten hadden. De mensen dan, gezien hebbende het teken, dat Jezus gedaan had, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet, Die in de wereld komen zou. Jezus dan, wetende, dat zij zouden komen, en Hem met geweld nemen, opdat zij Hem Koning maakten, ontweek wederom op den berg, Hij Zelf alleen. En als het avond geworden was, gingen Zijn discipelen af naar de zee. En in het schip gegaan zijnde, kwamen zij over de zee naar Kapernaum. En het was alrede duister geworden, en Jezus was tot hen niet gekomen. En de zee verhief zich, overmits er een grote wind waaide. En als zij omtrent vijf en twintig of dertig stadien gevaren waren, zagen zij Jezus, wandelende op de zee, en komende bij het schip; en zij werden bevreesd. Maar Hij zeide tot hen: Ik ben het; zijt niet bevreesd. Zij hebben dan Hem gewilliglijk in het schip genomen; en terstond kwam het schip aan het land, daar zij naar toe voeren."

"Daarna vertrok Jezus naar de overkant van het meer van Galilea, ook wel het meer van Tiberias genoemd. Een grote menigte volgde hem, omdat ze de wondertekenen gezien hadden die hij aan de zieken deed. Jezus ging de berg op en ging daar met zijn leerlingen zitten. Het was kort voor het joodse paasfeest. Jezus keek om zich heen en toen hij zag dat er een grote menigte naar hem toe kwam, zei hij tegen Filippus: 'Waar kunnen we brood kopen voor deze mensen?' Hij vroeg dat om hem op de proef te stellen, want zelf wist hij al wat hij zou gaan doen. Filippus antwoordde: 'Voor tweehonderd zilverstukken brood is nog te weinig om ieder zelfs maar een klein stukje te geven!' Andreas, een van de leerlingen, de broer van Simon Petrus, zei tegen Jezus: 'Hier is een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen. Maar wat betekent dat voor zoveel mensen?' 'Laat de mensen gaan zitten,' zei Jezus. Er was veel gras daar en de mensen gingen zitten; er waren ongeveer vijfduizend mannen. Jezus nam de broden, bracht dank aan God en deelde ervan uit aan de mensen die daar zaten. Hetzelfde deed hij met de vissen, en ze kregen zoveel als ze wilden. Toen iedereen genoeg had, zei hij tegen zijn leerlingen: 'Haal de brokken op die over zijn; er mag niets verloren gaan.' Zij haalden ze op en vulden twaalf manden met wat van de vijf gerstebroden overgebleven was nadat men gegeten had. Toen de mensen het wonderteken hadden gezien dat Jezus gedaan had, zeiden ze: 'Dit is werkelijk de profeet die in de wereld zou komen.' Jezus begreep dat ze hem wilden dwingen mee te gaan om hun koning te worden. Daarom trok hij zich weer in de bergen terug; daar was hij alleen. Tegen de avond daalden zijn leerlingen af naar het meer. Ze gingen aan boord van een boot om over te steken naar Kafarnaum. Het was al donker, en Jezus had zich nog niet bij hen gevoegd. Intussen stak er een hevige wind op die de golven opjoeg. Toen ze ongeveer vijf kilometer hadden geroeid, zagen ze Jezus over het meer lopen; hij was dicht bij de boot. Ze werden bang, maar hij zei tegen hen: 'Ik ben het; wees niet bang.' Ze wilden hem aan boord nemen, maar op hetzelfde ogenblik landde de boot op de plek waar ze op aan hadden gestuurd."

"Daarna vertrok Jezus naar de overzijde van de zee van Tiberias in Galilea. En Hem volgde een grote schare, omdat zij de tekenen zagen, die Hij aan zieken verrichtte. En Jezus ging de berg op en zat daar neder met zijn discipelen. En het Pascha, het feest der Joden, was nabij. Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag, dat een grote schare tot Hem kwam, zeide Hij tot Filippus: Waar zullen wij broden kopen, dat dezen kunnen eten Maar dit zeide Hij om hem op de proef te stellen, want Hij wist zelf, wat Hij doen zou. Filippus antwoordde Hem: Tweehonderd schellingen brood is voor dezen niet genoeg, als ieder een kleine hoeveelheid zal krijgen. Een van zijn discipelen, Andreas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot Hem: Hier is een jongen, die vijf gerstebroden en twee vissen heeft; maar wat betekent dit voor zovelen? Jezus zeide: Laat de mensen gaan zitten. Nu was er veel gras op die plaats. De mannen gingen dus zitten, ten getale van omstreeks vijfduizend. Jezus dan nam de broden, dankte en verdeelde ze onder hen, die daar zaten, evenzo van de vissen, zoveel zij wensten. En toen zij verzadigd waren, zeide Hij tot zijn discipelen: Verzamelt de overgebleven brokken, opdat niets verloren ga. Zij verzamelden die dus en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, die overgeschoten waren, nadat men gegeten had. Toen dan de mensen zagen, welk teken Hij verricht had, zeiden zij: Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld komen zou. Daar Jezus bemerkte, dat zij zouden komen en Hem met geweld meevoeren om Hem koning te maken, trok Hij Zich weder terug in het gebergte, geheel alleen. En toen het avond geworden was, gingen zijn discipelen naar de zee en begaven zich in een schip over de zee naar Kafarnaum. En het was reeds donker geworden en Jezus was nog niet tot hen gekomen, en de zee werd onstuimig, daar er een harde wind woei. Toen zij dan vijfentwintig of dertig stadien hadden geroeid, zagen zij Jezus over de zee gaan en dicht bij het schip komen, en zij werden bevreesd. Maar Hij zeide tot hen: Ik ben het, weest niet bevreesd. Zij wilden Hem dan in het schip nemen en terstond bereikte het schip het land, waar zij heengingen."

"Daarna ging Jezus naar de overkant van het Meer van Galilea (ook wel het Meer van Tiberias genoemd). Een grote menigte mensen volgde hem, omdat ze gezien hadden welke wondertekenen hij bij zieken deed. Jezus ging de berg op, en ging daar met zijn leerlingen zitten. Het was kort voor het Joodse pesachfeest. Toen Jezus om zich heen keek en zag dat die menigte naar hem toe kwam, vroeg hij aan Filippus: 'Waar kunnen we brood kopen om deze mensen te eten te geven?' Hij vroeg dat om Filippus op de proef te stellen, want zelf wist hij al wat hij zou gaan doen. Filippus antwoordde: 'Zelfs tweehonderd denarie zou niet voldoende zijn om iedereen een klein stukje brood te geven.' Een van de leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, zei: 'Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen–maar wat hebben we daaraan voor zoveel mensen?' Jezus zei: 'Laat iedereen gaan zitten.' Er was daar veel gras, en ze gingen zitten; er waren ongeveer vijfduizend mannen. Jezus nam de broden, sprak het dankgebed uit en verdeelde het brood onder de mensen die er zaten. Hij gaf hun ook vis, zoveel als ze wilden. Toen iedereen volop gegeten had zei hij tegen zijn leerlingen: 'Verzamel nu de overgebleven stukken brood, zodat er niets verloren gaat.' Dat deden ze en ze vulden twaalf manden met wat overgebleven was van de vijf gerstebroden die men had gegeten. Toen de mensen het wonderteken dat hij gedaan had zagen, zeiden ze: 'Hij moet wel de profeet zijn die in de wereld zou komen.' Jezus begreep dat ze hem wilden dwingen om mee te gaan en hem dan tot koning zouden uitroepen. Daarom trok hij zich terug op de berg, alleen. Bij het vallen van de avond daalden zijn leerlingen af naar het meer; ze stapten in een boot en zetten koers naar de overkant, naar Kafarnaüm. Het was al donker geworden, en Jezus was nog niet naar hen toe gekomen. Er stak een hevige wind op en het meer werd onstuimig. Toen ze vijfentwintig of dertig stadie geroeid hadden, zagen ze plotseling Jezus over het meer lopen; hij was dicht bij de boot en ze werden bang. Maar hij zei: 'Ik ben het, wees niet bang.' Ze wilden hem aan boord nemen, maar meteen kwam de boot aan land op de plaats waar ze naartoe wilden."

"Daarna ging Jezus naar de andere kant van het Meer van Galilea. Een menigte mensen volgde Hem, omdat zij zagen dat Hij de zieken genas. Jezus liep de heuvel op en ging daar met Zijn discipelen zitten. Het was vlak voor het Joodse Paasfeest. Toen Jezus al die mensen zag aankomen, vroeg Hij aan Filippus: "Waar kunnen wij brood vandaan halen om die mensen te eten te geven?" Niet dat Jezus eten wilde kopen. Hij was iets anders van plan, maar was alleen benieuwd wat Filippus zou antwoorden. Filippus zei: "Al kopen wij voor 200 zilverstukken brood, dan hebben wij nog niet genoeg om iedereen te eten te geven." Andreas mengde zich in het gesprek. "Hier is een jongen, die vijf gerstebroden en twee gedroogde vissen heeft. Maar wat hebben wij daaraan voor zoveel mensen?" Jezus zei tegen Zijn discipelen: "Laat alle mensen in het gras gaan zitten." Toen bleek dat er alleen al zo'n 2000 mannen waren. Toen iedereen zat, nam Jezus de broden, dankte God ervoor en begon het brood uit te delen. Met de vissen deed Hij net zo. En iedereen kon naar behoefte eten. Toen de mensen verzadigd waren, zei Jezus tegen Zijn discipelen: "Er is nog heel wat over. Haal het op, want er mag niets blijven liggen." De discipelen hadden twaalf manden nodig om het overschot op te halen. Het drong tot de mensen door dat Hij iets geweldigs had gedaan. "Ja," zeiden zij, "Hij moet de Profeet zijn, die komen zou!" Omdat Jezus merkte dat de mensen Hem wilden dwingen hun koning te worden, ging Hij alleen de bergen in. Bij het vallen van de avond daalden Zijn discipelen de berg af en kwamen bij het meer. Toen het al donker was en Jezus nog steeds wegbleef, gingen zij in een boot en staken over naar Kapernaüm. Plotseling begon het vreselijk te waaien en kwamen er hoge golven op het meer. Nadat zij ongeveer vijf kilometer geroeid hadden, zagen zij Jezus over het water lopen. Hij kwam naar hun boot toe. Zij werden bang, maar Hij zei: "Ik ben het! Jullie hoeven niet bang te zijn." "Kom aan boord," zeiden ze. Even later legden zij in Kapernaüm aan."

 

Lees deze Wat Jezus deed in:
- Engels

 

Vorige Wat Jezus Deed

25 april 2018 Johannes 6:15
24 april 2018 Johannes 6:14
23 april 2018 Johannes 6:12-13
22 april 2018 Johannes 6:10-11
21 april 2018 Johannes 6:8-9
20 april 2018 Johannes 6:5-7
19 april 2018 Johannes 6:3-4
 

Home